Commissaris en escargots

Groningen, café Soestdijk, januari 2016. Ik was op deze winteravond voor de verandering keurig op tijd en bestelde een biertje aan de bar tegen de zenuwen. Als student kende ik de stad op mijn duimpje, maar in deze tent aan de Grote Kromme Elleboog was ik niet eerder geweest. Het bleek een Vindicat-toko te zijn. Toen degene met wie ik had afgesproken binnenkwam, zag ik meteen een paar mensen omkijken: is dat niet Hans Wiegel? 

Hans begroette me, kwam naast me zitten aan de bar en bestelde ook een biertje. Hij dronk in één teug twee derde van het fluitje leeg, precies tot de hoogte waar ik was gebleven. Wat voor avond ging dit worden? We deden nog een borrel en namen daarna plaats aan het tafeltje bij het raam, waar Hans altijd zat als hij hier kwam eten. Hij zei dat ik beslist escargots moest nemen. Zelfs een provinciaal als ik kon dat niet weigeren. Het smaakte overigens best goed. We hadden die avond mooie gesprekken over zijn tijd, maar hij was ook geïnteresseerd in wat ik allemaal uitspookte. Ondertussen werd afwisselend wit en rood geschonken. ‘God wat hebben we gelachen,’ hoor ik Hans in gedachten nog zeggen. 


‘Hij kreeg er een mooi cijfer voor’

Waarom at ik als 21-jarige geschiedenisstudent in mijn eigen Groningen met deze VVD-coryfee? Enkele maanden daarvoor had ik Wiegel geïnterviewd voor mijn Bachelorscriptie. Dat gesprek vond plaats in Landgoed Lauwswolt, bij Friezen bekend als de chicste plek van de provincie. Om er te komen had ik de fiets van de opa van een vriend geleend, die in Drachten woonde. Ik had me goed voorbereid en wilde het met Wiegel vooral hebben over zijn entree in de Haagse politiek, eind jaren zestig, en zijn relatie met De Telegraaf.

Krant en politicus hadden veel aan elkaar in deze jaren. De jonge Wiegel was een markante verschijning – met zijn driedelig pak, horlogeketting en sigaar – en gaf daarmee kleur aan de Haagse politiek. Een zegen voor verslaggevers. Op zijn beurt kon hij via De Telegraaf een breed publiek bereiken. Wiegel was nog maar 25 jaar toen hij voor de VVD in de Tweede Kamer kwam, maar had toen al een uitstekend gevoel voor publiciteit. 

Zijn goede persoonlijke banden met Telegraaf-redacteuren kwamen van pas toen hij in 1972 in een politiek conflict raakte met zijn eigen partijvoorzitter, Haya van Someren-Downer. Nadat een clubje om haar heen naar De Telegraaf had gelekt dat Wiegels positie in de partij aan een zijden draadje hing, was één van de journalisten van die krant naar het huis van Wiegel aan de Amsterdamse Bloemgracht gefietst om hem mee te delen dat het partijbestuur hem wilde wippen. Zo kon Wiegel nog net op tijd een verdedigingsspeech schrijven, waarmee hij alle partijbonzen - inclusief Van Someren - weer achter zich wist te krijgen.

Het verhaal over de fietsende Telegraaf-journalist keerde ook terug in mijn scriptie. Ik kreeg er een 7 voor. Al met al toch een flinke teleurstelling. Ik had er veel tijd in gestopt en had toch maar mooi het initiatief genomen om de hoofdrolspeler op te zoeken, maar mijn docent was de mening toegedaan dat het gesprek niet heel veel nieuws had opgeleverd. 

Wiegel ging er anders mee om. Een jaar later begon hij met een wekelijkse column – in zijn geliefde Telegraaf. Zijn allereerste column, op 7 januari 2017, begon als volgt: ‘Precies een jaar geleden, in januari 2016, schreef de jonge student geschiedenis Lennart Steenbergen zijn bachelorscriptie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Een roep om spraakmakende politiek was de titel. Met als ondertitel: De relatie tussen Hans Wiegel en De Telegraaf in tijden van politieke vernieuwing, 1967-1972. Hij kreeg er een mooi cijfer voor.’ Inderdaad, geen prachtig cijfer, maar wel een mooi cijfer. Iedereen weer tevreden.


Commissaris

Ons gesprek in Lauwswolt was voor Wiegel een ‘feest van herinneringen’, zoals de titel van de column luidde. Het etentje in café Soestdijk was om de afronding van mijn scriptie te vieren. Het was het begin van een kameraadschap. Mensen zouden me vaak naar onze band vragen. Hij zat tussen een vriend, een held uit het verleden dat ik zelf niet heb meegemaakt en een opa-figuur in. Ik ben in die negen jaar dat we elkaar gekend hebben vaak bij hem op bezoek geweest in het Zuidwest-Friese Oudega. Hij kwam me dan ophalen in zijn Berlingo – de ‘boodschappenauto’ – vanaf station IJlst. De combinatie van de hoge auto, de schattige dorpjes en de kronkelige wegen had een hoog Pieter Post-gehalte. Bij hem thuis stond de stoof vaak al op het vuur.

Wiegel had al een tweede huis in het noorden gekocht toen hij Kamerlid was. Dat was in een andere hoek van Friesland: in Ee, rechts van Dokkum. Wiegel werd aangetrokken door de rust, de kneuterigheid en het respect voor gezag dat daar nog heerste. Hij zou er in de jaren tachtig, na zijn Haagse jaren, ook Commissaris van de Koningin worden. Veel ceremonie, weinig dossiers: een kolfje naar zijn hand. Een aandenken aan deze periode was het ‘zelfgebrouwen’ drankje dat we later geregeld samen nuttigden in zijn serre aan het Friese water. Het bestond voor de helft uit jenever en voor de helft uit berenburg, en ging bij Hans door het leven als ‘commissaris’.


Jenner van beroep

Groot was het contrast tussen Friesland en Amsterdam, waar Wiegel op 16 juli 1941 werd geboren als zoon van een meubelmaker. De kleine Hans, een verlegen jongen, was erg onder de indruk toen op een dag de burgemeester voorbijliep, met jacquet en hoge hoed: zo wilde hij ook wel zijn. In zijn schooljaren verhuisde hij naar Hilversum. In het Gooi woonde hij ook zijn eerste politieke bijeenkomst bij. Haya van Someren – van het conflict in 1972 – kwam als toenmalig Tweede Kamerlid in Laren spreken over onderwijspolitiek. Haar verhaal dat iedereen de kans moest krijgen er het beste van te maken sprak Wiegel aan. Hij meldde zich korte tijd later aan bij de JOVD en werd in 1965 voorzitter van deze club.



De jonge Wiegel

Twee jaar later volgde de overstap naar Den Haag. Wiegel viel als jong Kamerlid al op door zijn humor en relativeringsvermogen. Dat deed het goed bij veel kiezers, tegenover de serieuze hemelbestormers op links. Humor was voor hem ook een redmiddel om zijn gebrekkige dossierkennis te maskeren. Daar stond tegenover dat hij vlijmscherp was, handig in tijden van polarisatie. Een van zijn grootste klassiekers – na ‘Sinterklaas bestaat, daar zit-ie, achter die tafel’ – is toch wel zijn repliek op de verstoring van een toespraak door een communistische actievoerder. ‘Hans Wiegel, hondenlul!’ klonk het van achteruit de zaal. Waarop Wiegel meteen reageerde: ‘Fijn dat u zich even voorstelt. Mijn naam is Wiegel.’ Je moet er maar op komen.

Wiegel vond het leuk om te jennen – het liefst op vijandelijk terrein. Daarom was hij in de jaren zeventig bijvoorbeeld graag te gast bij In de rooie haan, het populaire radioprogramma van de VARA. Op zijn oude dag ging hij nog steeds graag de confrontatie aan. Toen ik hem enige tijd kende, had ik hem gevraagd een lezing te komen geven in Groningen over leiderschap. Dat wilde hij best doen, op voorwaarde dat ík daarna een tweegesprek met hem zou houden. Uit enthousiasme stampte hij vanuit zijn stoel met zijn voeten zo hard op het podium, dat de mensen achterin de zaal niet alles zullen hebben meegekregen. Maar waar hij nadien altijd weer over begon, waren die drie ‘linkse gasten’ op de voorste rij die hem uit de tent hadden proberen te lokken met prikkelende vragen. Bij de borrel had hij ook nog een tijdje met hen staan discussiëren. Zulke dingen vond hij prachtig.


Tutoyeren

Met zijn geplaag van links en heldere taal sprak Wiegel in de jaren zeventig een steeds groter deel van het electoraat aan. Zijn grootste politieke verdienste is geweest dat hij van de VVD een ware volkspartij heeft gemaakt. Hierin trok hij samen op met Haya van Someren-Downer en Harm van Riel, een Drentse VVD-senator van het conservatieve soort met een grote invloed in de partij. Wiegel had zijn notabelenlook – met horlogeketting en sigaar – bij Van Riel afgekeken. In de in 2020 verschenen biografie over Wiegel, geschreven door Pieter Sijpersma, las ik dat Van Riel als ancien hem op een gegeven moment het besluit had meegedeeld dat ze voortaan ‘je’ en ‘jij’ tegen elkaar zouden zeggen. Wiegel zou vijftig jaar later bij mij precies hetzelfde doen. Hans was een man van gewoonten en tradities, die hij gedurende zijn leven ergens had opgepikt.



De drie H's: Harm van Riel, Haya van Someren en Hans Wiegel

De hoogtijdagen van Wiegel in Den Haag waren de jaren van het kabinet-Den Uyl. Wiegel droeg als oppositieleider vanaf 1973 bij aan roemruchte Kamerdebatten. Tegelijkertijd frustreerde het hem dat hij maar weinig gerealiseerd kreeg. In 1977 leek hij op te gaan voor een revanche. Het CDA ging na een uiterst moeizame formatie met de PvdA onverwachts over rechts, met de VVD. Wiegel werd vicepremier naast minister-president Dries van Agt. 

De verhalen zijn bekend: de twee konden uitstekend met elkaar door een deur, Van Agt ervoer de luchtigheid van Wiegel als een godsgeschenk na het jarenlange gedram van Den Uyl. Wiegel deed er alles aan om het kabinet overeind te houden, maar dit had wel een prijs. De VVD-fractie moest veel slikken om de linkervleugel van het CDA aangehaakt te houden. Wiegel had zelf geen grote idealen, dus kon deze ook makkelijk overboord zetten. Van Agt sprak later van een ‘ietwat primitieve maar aandoenlijke emotie van “we laten elkaar nooit meer los”’ bij zijn makker.

Deze ministersjaren werden ook getekend door persoonlijk drama. In 1980 kwam zijn vrouw, Jacqueline (‘Pien’) Frederiks, op 26-jarige leeftijd om door een verkeersongeluk. Wiegel stond er van de ene op de andere dag alleen voor met twee jonge kinderen. Binnen een tijdsbestek van veertig dagen stierven ook zijn leermeesters Van Riel en Van Someren. Het is in het licht van deze gebeurtenissen niet verwonderlijk dat hij in 1982 politiek een stap terugdeed en het Haagse toneel verliet. Hij trouwde later nog met Marianne, de zus van zijn eerste vrouw, maar in 2005 zou ook zij omkomen bij een auto-ongeluk. Hij herbeleefde zijn grootste nachtmerrie. Later sprak ik met hem ook over deze zwarte bladzijden in zijn leven. We hadden daarnaast goede gesprekken over mijn vader, die ik als kind verloren ben. Elke keer als Hans en ik elkaar zagen vroeg hij hoe het met mijn moeder was.



Met zijn vrouw Pien

IJdele figuren

Wiegel was nog maar 40 toen hij wegging uit Den Haag. Hij had er eigenlijk al een volwaardige politieke carrière op zitten. In de decennia die volgden hing een mogelijke terugkeer naar het Binnenhof continu boven de markt. Het ‘orakel uit Ljouwert’ bleef zich – soms gevraagd, maar meestal ongevraagd – bemoeien met de koers van de VVD. Hij bleef invloedrijk, geholpen door de koppenmakers van De Telegraaf, en voelde nog altijd haarfijn aan waar ‘de mensen in het land’ op zaten te wachten, en waar juist niet op. Van een terugkeer naar het centrum van de macht kwam het echter nooit.

In de jaren negentig werd hij nog wel Eerste Kamerlid. Zijn grootste wapenfeit als senator was het tegenhouden van het correctief bindend referendum. Dit kroonjuweel van de coalitie met daarin zijn eigen VVD sneuvelde enkel en alleen door zijn tegenstem. Wiegel had zijn eigen Nacht te pakken, in navolging van Norbert Schmelzer dertig jaar eerder. Deze KVP-politicus was in 1966 verantwoordelijk geweest voor de val van het kabinet dat werd geleid door zijn partijgenoot Jo Cals. Schmelzer stond sindsdien bij velen bekend als ‘gladde teckel’, maar Wiegel zou altijd erg op hem gesteld blijven, misschien juist wel omdat Schmelzer zoveel mensen in de gordijnen had gejaagd. Wiegel had sowieso een zwak voor ijdele mensen.

Het is dan ook niet heel vreemd dat Wiegel na de eeuwwisseling met Pim Fortuyn tot de afspraak kwam dat hij premier zou worden als Fortuyn de verkiezingen zou winnen. Dat Wiegel met Fortuyn flirtte, maakt hem overigens geen populist. Om het volk te paaien zetten populisten zich af tegen het establishment en het Haagse systeem. Wiegel heeft dat nooit gedaan – hij voelde zich juist als een vis in het water binnen dat systeem. Hij was er zelfs zo verzot op dat hij er nooit echt iets aan heeft willen veranderen.


Omkijken

De laatste jaren werd het geleidelijk steeds iets stiller rond Wiegel. Zo nu en dan deelde hij op televisie nog een plaagstoot uit aan deze of gene politicus. Daarnaast schepte hij plezier in het schrijven van columns voor De Telegraaf, vaak over zijn tijd waarin alles beter was. Ook ging hij nog regelmatig naar boekpresentaties in Den Haag. Soms reed ik dan met hem mee, zijn vaste chauffeur Menno achter het stuur, wij sigaren rokend op de achterbank. We aten dan bij Hans’ favoriete Franse restaurant – uiteraard met escargots vooraf.

Bij de presentatie van een van de Jaarboeken van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG), waar Wiegel vaste gast was, stelde hij me voor aan Carla van Baalen, hoogleraar parlementaire geschiedenis en directeur van het Centrum. Of ik niet bij haar in Nijmegen de master politieke geschiedenis kon volgen? Dan moest ik op de website het aanmeldingsformulier invullen, was het keurige antwoord van Van Baalen. 

Zo is het ook gegaan. Ik ging naar Nijmegen en zou een jaar later zelfs in dienst treden bij het CPG, dit keer geheel op eigen houtje. Bij het Centrum heb ik met collega Johan van Merriënboer ook de biografie over oud-premier Ruud Lubbers geschreven. Wiegel was altijd erg nieuwsgierig naar dit karwei – hij had in zijn politieke carrière meermaals de degens gekruist met deze CDA-politicus. Door een beroerte in 2019 kon hij moeilijk op bepaalde namen komen, maar hij loste dat voor zichzelf altijd wel weer slim op. Lubbers noemde hij altijd ‘die vogel’.

In 2021 was ik bij Hans’ tachtigste verjaardag in Gaastmeer, op steenworpafstand van Oudega. Naast familie en mensen zoals ik liepen daar bevriende journalisten en politici van weleer rond. Ook zijn grote vriend Dries van Agt, inmiddels negentig jaar oud en tamelijk fragiel, had de moeite genomen om naar Friesland af te reizen. Het tekende Hans dat hij Van Agt bij binnenkomst meteen naast mij aan een tafeltje zette. Dat zou ik als jonge historicus vast interessant vinden.




Ontzag voor Van Agt, een vriend voor het leven


Ik had met Hans vaker in Gaastmeer gegeten. Het kwam dan wel eens voor dat hij niet werd herkend door een van de jonge serveersters. Hij zei dat hij dat niet erg vond, maar ik heb me altijd afgevraagd wat er op zulke momenten in zijn hoofd omging. De kring van mensen om hem heen werd sowieso kleiner. Rust en eenzaamheid lagen daar diep in Friesland dicht bij elkaar. In zijn laatste jaren durfde hij niet meer op televisie te verschijnen, omdat hij bang was voor uitglijders. Columns schrijven ging eigenlijk ook niet meer, dus daar werd een punt achter gezet. Het orakel sprak niet meer. Gelukkig was er veel moois om op terug te kijken. Wiegel leefde te midden van zijn eigen herinneringen. ‘God wat hebben we gelachen.’

Wiegel overleed op 19 mei 2025 op 83-jarige leeftijd. ‘Weinig mensen zullen zo van hun eigen politieke carrière hebben genoten als Hans Wiegel,’ sprak Tweede Kamervoorzitter Martin Bosma twee weken later treffend in een herdenkingsrede. In het overvolle Kamergebouw hing nog de geur van wilde beesten. Eerder die dag was Geert Wilders met veel bombarie uit de coalitie gestapt, wat de val van het kabinet-Schoof inluidde. Hoe groot was het contrast met de stilte in Idzega, tussen Oudega en Gaastmeer in, waar Hans Wiegel dicht bij het Friese water begraven ligt.

 


Reacties

  1. Mooie inkijk in de belevingswereld van de heer Wiegel die hiermee de eer krijgt die hij verdiende. Hij en wij kunnen niet het systeem veranderen maar we kunnen wel de positieve verandering zijn in het systeem. Een voorbeeld voor de huidige politicus die waarden als respect en slimmigheid in het algemene belang centraal stelde. Persoonlijk spreekt het "met humor dossierkennis verhullen" mij wel erg aan maar dat weet je Lennart.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dank! Ik kan je naam bij deze reactie niet zien. Ik heb wel een vermoeden, maar ben benieuwd...

      Verwijderen

Een reactie posten